4. saskia monshouwer

Beste Rien,

IN THE BEGINNING, sometimes I left messages in the street.
    Somebody is living in the Louvre, certain of the messages would say. Or in the
National  Gallery.

Mijn antwoord op je tekst over het boek van Pieter van Os, Liever Dier dan Mens laat ik beginnen bij  de eerste zin uit de bijzondere roman Wittgenstein’s Mistress van David Markson. Een wonderlijk boek, waar je lang over na kunt denken. Het is een experiment, een filosofisch ‘What If’- verhaal, wat in dit geval zeggen wil: Wat als je de laatste mens op aarde bent, en helemaal alleen. Want dat is het verhaal, het gaat over een vrouw die helemaal alleen op de wereld is. Ze doolt rond, nieuwsgierig, verbaasd en verdwaasd.

Misschien ben jij ook wel verbaasd, over deze reactie, waarom zou ik op een boek over de overlevingstocht van een Joodse vrouw in de tweede wereldoorlog reageren met dit boek?

Op de eerste plaats vanwege een losse associatiedie opgeroepen wordt door de foto die op de cover van het boek van Van Os; de foto van een klein meisje dat, naar ik aanneem, over de leegte van een vernietigd Warschau uitkijkt. Wittgensteins Mistress gaat ook over eenzaamheid.

Maar er is meer. Als ik over mezelf en de wereld, oorlog en/of politiek wil schrijven, kan ik dat niet aan de hand van een persoonlijk verhaal, via een IK-vertelling of een vertelling over mensen, anderen dan ik, die iets doen of nalaten, waarna actie volgt. Ik wil niet schrijven over mijzelf en niet aan de hand van een enscenering waarin menselijke interactie plaatsvind. Ik schrijf liever in het kader van min of meer rationele constructies. Geen blinde associaties, geen spannend verhaal met een hoofdpersoon waarmee de lezer zich identificeren kan, maar iets noteren, beschrijven, opsommen. Constructies helpen mij om te verdwijnen. Ze bieden juist daarom een mogelijkheid om mezelf bloot te geven.

Schrijven over mijzelf vind ik niet alleen banaal, misschien zelfs potsierlijk, maar vooral een beetje link. Ik wordt er nerveus van. Het triggert iets. Ik word bang. Was ik daarom zo onder de indruk van de brieven van Jan Hanlo? IN THE BEGINNING… Niet alleen de biografie en bizarre literaire zoektocht van Alfred Jarry, niet alleen de mooie constructies en verhalen van Georges Perec, ook de brieven van Jan Hanlo vertegenwoordigen voor mij een begin. Wat ben ik tot mijn grote geluk in de afgelopen jaren toch vaak begonnen…Wat ben ik goed…in beginnen…in het begin…

Jan Hanlo. Ik kan me voorstellen dat je zijn gedichten niet onmiddellijk met formaliteiten verbindt, dat je veel eerder aan vreemde associaties denkt, maar dat is – denk ik – een misverstand. Hanlo met z’n simpel geniale klankgedichten OOte Oote Oote boe, Jan Hanlo-van-het-pantertje was een meester in formaliteiten. Zijn brieven leren mij tot mijn verassing dat je heel lang bij details mag verwijlen, er anderen mee lastig mag vallen, mag zoeken, zeuren en manipuleren, een kleine klootzak mag zijn. Hanlo heeft een tamelijk uitvoerige briefwisseling over een vertaling van een woord uit het Latijn en over een enkele zin die in dichtvorm ‘Belgisch’ moeten klinken. Hij zoekt en verbergt en schrijft en toont zichzelf en zijn obsessies nooit helemaal, maar kan ze ook niet verbergen. Hij is aanwezig in één enkele beweging, één vorm, één detail, een melodie (dit is nooit één ding maar een opeenvolging van dingen en een samenklank), een ritme (idem). Het mag, het kan, geheimen dragen en manipuleren, al blijf je uiteindelijk eenzaam achter. Maar blijven we uiteindelijk niet allemaal eenzaam achter?

Foei! Cliché! Nee, de leegte die ik zoek, dat beeld zonder mensen in ontkenning van portretten en gestaltes ten voeten uit, heeft niets te maken met een gelijkmakend cynisme. Ik maak een omweg waardoor het mogelijk wordt om het beest in de bek te zien. Niet de mens, maar de dingen en via de dingen dan tóch weer iets over de mens.

Die gedachtegang bracht me terug naar Wittgensteins Mistress, een boek dat ik al enige tijd in mijn kast heb staan.Kwamen daar niet ook musea in voor? Ik had me afgevraagd waarom die musea voorkwamen in het boek. Nu – omdat ik weer over verzamelculturen en musea schrijf – realiseer ik me plotseling hoezeer ook dit boek over de dingen gaat en over taal, en over wat beide voor ons betekenen. De vrouw is met andere woorden niet alleen, ze bevindt zich tussen de dingen.

In the beginning, sometimes I left messages in the street, luidt de kreet op de cover. Afterword by David Foster Wallace, staat er ook. Waarna ik onmiddellijk Infinite Jest kocht, wat nu al zeker twee jaar ongelezen op het krukje naast het bankje ligt waarop ik altijd uitrust, overdag het liefst, de radio aan. Markson dus, omdat ik plotseling leek te begrijpen waar het boek over gaat: Over ons, mensen en de manier waarop wij ons bewegen tussen de dingen – reclames, grafzerken, herinneringen, auto’s, benzine, benzinepompen en kennis, kunst en vaardigheden, competenties, op school geleerd, in woorden gegoten, in taal gevat. Maar wat is taal, als je haar niet spreken kunt en geen lezers hebt? Wat zijn de dingen als er maar één enkele gebruiker is? Voor wie zijn je herinneringen als er niemand meer is? De liedjes die je onthoudt, de boeken die je leest, de mensen van wie je houdt? Je wordt je sterk bewust van de stilte en de leegte, die vreemde ruimte tussen de dingen die beangstigend is en mooi.

Misschien moet ik vertellen waarom ik van dingen hou, dat heeft namelijk direct met mijn liefde voor omwegen te maken. Dingen hebben een eigen bestaan. Zij zijn zelfstandig, bestaan korter of langer dan ik. Ik hou van de dingen. Ze stellen me gerust. Dat was altijd zo, ook vroeger. Dingen in huis en daarbuiten op straat, dingen in tuinen en zeeën. (Er is maar weinig natuur in Wittgensteins Mistress, geen bloemen, wel wind, weinig bomen en planten.) Ik heb graag dingen in huis, heb een kleine collectie van van alles, plaats dwaze dingen op mijn werktafel om me heen, op de kasten, aan de voet van mijn PC, maar ik hoef niet alles te bezitten. Het mag ook buiten staan, een eigen leven leiden, bloeien of broeien naast de vuilnisbak. Ik kan de dingen ook schrijvend mee naar huis nemen. De beschrijvingen van mijn wandelingen zijn waarschijnlijk vooral dát: een verzameling dingen die ik niet bezit maar toch heb. Ze zijn belangrijk voor mij.   

Wat ik bij Markson vind, is een vrouw tussen dingen en taal. De leegte waarin zij zich bevindt, trekt me aan. Ik verlang ernaar. Het is er stil. Ik voel me daar thuis. Het is opmerkelijk: Wat je hebt aan dingen en herinneringen kan zinloos zijn; Wat je niet hebt, houdt een belofte in.

Charlotte Posenenske

Boeken die ik niet heb:
Tell them I said no, van Martin Herbert, een Sternbergpress uit 2016 met teksten over: Stanley Brouwn, Charlotte Posenenske, David Hammons, Laurie Parsons, Trisha Donnelly …

Via David Hammons en een oud artikel in het Zwitserse tijdschrift Parket kwam ik ook bij een ander boek terecht. The Ass’s Tale, van John Farris, uit 2010
Helaas is Farris overleden en het boek in Nederland niet te krijgen. Ik citeer: (…) a Rabelaisian story of a dog’s search for his identity. Told in the existential down-and-dirty vein of Ralph Ellison, Ishmael Reed and Chester Himes, this book (in manuscript form) circulated through New York City s Lower East Side for years. John is a longtime denizen of the neighbourhood; he still lives above the Bullet Space Gallery at 292 East Third Street.

Exhibition flyer: Posenenske: “Serie DW” (5 December 1967-2 January 1968)

Columns van Rien Monshouwer & Saskia Monshouwer – schrijvers met dezelfde achternaam, maar we zijn geen familie. We zijn naamgenoten, ‘tocayo’ in het Spaans. Ik kom dat woord tegen in een brief van Vibeke Mascini, onderdeel van haar correspondentie met Ella Finer, gepubliceerd onder de titel Silent Whale Letters. Dat Rien en ik besloten hebben om te corresponderen, heeft te maken met onze voorkeuren. Rien is beeldend kunstenaar met een grote liefde voor literatuur. Ik ben een critica met een grote interesse in literatuur en beeldende kunst. Zijn wij de helicopter en de walvis van Vibeke Mascini? Zijn wij de paraplu en de schrijfmachine op de ontleedtafel? Welke frequentie gaat de bandbreedte van onze correspondentie bepalen?


(…) Quite another note, did you know a helicopter rotary blade can be used to construct a speaker to transduce infrasound? Propagatin the air into shockwaves that should be throbbing the message: I am a Whale somehow. Bouncing against every wall.
Letter 21 Vibeke Mascini – A Voice like tonnes of energy
Silent Whale Letters, Ella Finer & Vibeke Mascini, Sternberg Press 2022

top of page